21.03.2008

“Les in het bedrijf: het werkt”! – Jongeren uit het CEDO-Gent worden realiteitsgericht opgeleid op de werkvloer door de leerkrachten.

 

Het Centrum voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs van de Stad Gent (CEDO) stelde dinsdag 11 maart 2008 haar project “Les in het bedrijf: het werkt” voor, een voorbeeld van good practice in het kader van afwisselend leren en werken, het verwerven van de nodige werkvloer- en arbeidscompetenties en de strijd tegen de hoge ongekwalificeerde uitstroom. Vooral de aanpak van het competentiegericht opleiden op de werkvloer door de leerkrachten binnen de opleidingen productiemedewerker en productieoperator in de voedingsindustrie is uniek te noemen binnen het Vlaamse beroepsonderwijs.

In zijn openingswoord beklemtoonde de heer Dirk Damman, coördinator van het CEDO de noodzaak van het realiteitsgericht opleiden op de werkvloer tijdens de lessen beroepsgerichte vorming. Het deeltijds onderwijs geeft jongeren tussen 15 en 18 jaar de kans om school en werk te combineren en tegelijk een kwalificatie te behalen. Wanneer jongeren ‘leren’ zowel op de werkvloer als binnen een school of centrum voor deeltijds onderwijs spreken we van volwaardige alternering. Een volwaardige alternering zorgt ervoor dat jongeren een beter beeld krijgen van de jobinhoud en de realiteit van het beroep wat leidt tot een groter welbevinden tijdens de opleiding waardoor er minder ongekwalificeerde drop-out is. Toch stelt men vast dat twee dagen schoolse vorming en drie dagen werken niet altijd volstaan om alle, binnen één opleiding vaak heel diverse competenties te verwerven. Daardoor is een realistische aansluiting van de opleiding bij de verwachtingen van de arbeidsmarkt en in het bijzonder van de sector waarvoor de jongere zijn kwalificatie wenst te behalen, niet volledig te realiseren. Het CEDO wou tegemoet komen aan deze vraag en meteen ook een structureel probleem oplossen, namelijk het is binnen een schoolse omgeving niet altijd mogelijk om realistische werkplaatssituaties na te bootsen en/of alle machines aan te kopen waarmee jongeren binnen het kader van hun opleiding moeten kunnen werken. Dit gegeven is echter niet nieuw en menig centrum voor deeltijds onderwijs of BSO/TSO-school hebben met wisselend succes, aansluiting gezocht bij de arbeidsmarkt om een deel van de opleiding op het bedrijf te laten doorgaan. Ook het CEDO ging op zoek naar samenwerkingsverbanden met bedrijven/sectoren binnen de opleidingen winkelbediende, logistieke hulp in de verzorgingssector en productieoperator in de voedingsindustrie. Men zocht bedrijven die bereid waren om gedurende meerdere weken, soms zelfs maanden, een volledige klas met leerkracht, één dag in de week op hun praktijkdag, binnen hun muren toe te laten om die jongeren de kans te geven hun opleiding realiteitsgericht af te werken.

Tijdens een interactieve babbel tussen een panel bestaande uit leerlingen, leerkrachten, trajectbegeleiders, vertegenwoordigers van bedrijven en IPV en het publiek, werd duidelijk dat de aanpak van het CEDO een voorbeeld mag zijn voor het beroepsonderwijs in Vlaanderen. In het publiek waren er naast vele centra voor deeltijds onderwijs uit gans Vlaanderen ook vertegenwoordigers van CLB, van centra deeltijdse vorming, van pedagogische begeleidingsdiensten, van verschillende departementen waaronder onderwijs en werk en economie, van de dienst beroepsopleiding, van RTC en IPV, maar ook van verschillende geïnteresseerde bedrijven.

Vertrekkend vanuit een visie over volwaardige alternering ontwikkeld binnen het Janusproject, ging het CEDO op zoek naar bedrijven die complementair waren op het gebied van aanbod van te verwerven competenties. Kernbegrippen hierbij waren:

  • ‘een pedagogisch partnerschap’ tussen alle actoren met een gedeelde verantwoordelijkheid naar de opleiding van de jongere,
  • ‘een krachtige alternerende leeromgeving’, competentie- en kwaliteitgericht, met veel mogelijkheden en een grote diversiteit aan competenties
  • ‘de centrale plaats van de jongere’, een grotere betrokkenheid bij zijn opleiding en evaluatie.

Binnen dit kader engageerde: ‘MAKRO – Eke’ zich voor de opleiding winkelbediende en ging het ‘AZ Maria Middelares – Gent’ een pedagogisch partnerschap aan voor de opleiding logistiek helper in de verzorgende sector.

Voor de opleidingen ‘productiemedewerker in de voedingsindustrie’ en ‘productieoperator in de voedingsindustrie’ kreeg het CEDO de onvoorwaardelijke steun van het opleidingscentrum van de sector van de voedingsindustrie, het IPV (Initiatieven voor Professionele Vorming van de Voedingsnijverheid). In een eerste fase werd er samen met het IPV en de verschillende onderwijskoepels een competentiegericht opleidingsprofiel opgesteld. Vervolgens ging het CEDO, ondersteund door het IPV, op zoek naar complementaire bedrijven uit de verschillende subsectoren van de voedingsindustrie om alle competenties te kunnen aanbieden nodig voor het behalen van de kwalificatie. Op dit ogenblik wordt er samengewerkt met ‘Coca-Cola – Gent’, ‘Firma De Bruycker – Eke’ (vers-vlees-specialist), ‘Bouchard L’escaut’ (chocolade), ‘Ganda Ham’, ‘Le Larry’ (geitenkaasmakerij van Ganda Ham) en  ‘Fiers (vleesgroothandel met een uitsnijderij voor wild en gevogelte). Elk van de geselecteerde bedrijven zou zijn steentje bijdragen in het totaalplaatje van het competentieprofiel. Op die manier kwam men tot een rotatiesysteem van drie bedrijven per schooljaar per opleiding. Het volgende jaar van de tweejaarlijkse opleiding werden dat drie andere bedrijven.

Een schooljaar van 36 effectieve weken ziet er dan ongeveer zo uit:

  • Week 1 tot 6: theorie + veiligheid en hygiëne
  • Week  7 tot 14: praktijk op bedrijf 1
  • Week 15 tot 16: theorie
  • Week 17 tot 24: praktijk op bedrijf 2
  • Week  25 tot 26: theorie
  • Week  27 tot 34: praktijk op bedrijf 3
  • Week 35 tot 36: theorie en eindproeven

Zo verwerven leerlingen op twee schooljaren alle nodige competenties binnen een bepaalde kwalificatie.

Naast de twee dagen opleiding (één dag algemene vorming en één dag praktijk waarvan een deel op het bedrijf) is een invulling van de andere dagen in het kader van het voltijds engagement van primordiaal belang. Voor het behalen van een kwalificatie is een alternerende tewerkstelling wenselijk.

Halfjaarlijks overleg tussen alle betrokken partners (leerkrachten, traject- en tewerkstellingsbegeleiders, bedrijven, sectorverantwoordelijken, …) zorgen voor een vlotte communicatie en regelmatige bijsturing van onder andere het pedagogische partnerschap.

Op dit ogenblik zijn er in totaal 35 jongeren en 4 leerkrachten rechtstreeks betrokken bij het realiteitsgericht opleiden op de werkvloer tijdens de lessen beroepsgerichte vorming.

‘Les op het bedrijf’ tijdens de uren beroepsgerichte vorming is een win- winsituatie voor alle betrokken actoren (centrum/school, jongeren, bedrijf):

  • Voor de jongeren is het een realistische beroepsopleiding.
  • De bedrijfsomgeving wordt voor de jongeren een vertrouwde omgeving.
  • De jongeren krijgen een beter en vlotter zicht op hun mogelijkheden en tewerkstellingskansen, dit werkt drempelverlagend.
  • De leerkracht wordt geconfronteerd met de realiteit van het bedrijfsleven en krijgt terug voeling met actuele apparatuur en productieprocessen.
  • De leerkracht is nauwer betrokken bij de evolutie van de jongere in het kader van zijn opleiding op de werkvloer, door het wekelijks evalueren van de competenties kan hij sneller bijsturen en inspelen op tekortkomingen.
  • Bedrijven hebben de mogelijkheid om jongeren, die ze als het ware zelf hebben opgeleid, als eersten te selecteren en/of aan te werven voor een mogelijke job.
  • Bedrijven kunnen door hun nauwe betrokkenheid bij het volledige opleidingsproces, mee de inhoud van de opleiding bepalen.

In zijn slotwoord benadrukte de heer Rudy Coddens, Schepen van onderwijs van de stad Gent, het belang van een dergelijk initiatief in het kader van het ‘Voorontwerp van decreet over afwisselend leren en werken’, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29 februari jl. Jongeren zicht geven op het behalen van een arbeidsmarktgerichte kwalificatie en zodoende de ongekwalificeerde uitstroom verminderen is hierbij een belangrijk aandachtspunt.

Tevens wil hij, binnen de stad Gent, alle kansen bieden aan het deeltijds onderwijs dat met het toekomstige nieuwe decreet op leren & werken een volwaardige onderwijsvorm wordt naast bestaande zoals ASO, TSO en BSO.  Een volwaardig autonoom centrum voor leren & werken met een sterke omkadering, vooral op het gebied van trajectbegeleiding, is één van de prioriteiten waarop het onderwijs van de stad Gent zich in de toekomst wil focussen.

Tot slot bedankte de heer Schepen alle bedrijven die in het kader van ‘Les op het bedrijf’ belangeloos en dit gedurende meerdere weken hun deuren hebben opengesteld voor de jongeren van het CEDO en hun leerkrachten. Bedrijven die naast het zich welkom voelen van de jongeren van het CEDO ook hebben geïnvesteerd in en samen met de leerkracht gezorgd voor, een realiteitsgerichte opleiding.

‘Les op het bedrijf’ of het ‘realiteitsgericht opleiden op de werkvloer tijdens de lessen beroepsgerichte vorming’ is enkel mogelijk dankzij een zeer nauwe samenwerking tussen de bedrijfswereld, de sectoren en het onderwijs. Samen realiseren ze een krachtige alternerende leeromgeving. De werkplek wordt zo een leerplek.

[©m&b2008]