|
Het Centrum
voor Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs van de Stad Gent
(CEDO) stelde dinsdag 11 maart 2008 haar project “Les in het
bedrijf: het werkt” voor, een voorbeeld van good practice in het
kader van afwisselend leren en werken, het verwerven van de
nodige werkvloer- en arbeidscompetenties en de strijd tegen de
hoge ongekwalificeerde uitstroom. Vooral de aanpak van het
competentiegericht opleiden op de werkvloer door de leerkrachten
binnen de opleidingen productiemedewerker en productieoperator
in de voedingsindustrie is uniek te noemen binnen het Vlaamse
beroepsonderwijs.
In zijn
openingswoord beklemtoonde de heer Dirk Damman, coördinator van
het CEDO de noodzaak van het realiteitsgericht opleiden op de
werkvloer tijdens de lessen beroepsgerichte vorming. Het
deeltijds onderwijs geeft jongeren tussen 15 en 18 jaar de kans
om school en werk te combineren en tegelijk een kwalificatie te
behalen. Wanneer jongeren ‘leren’ zowel op de werkvloer als
binnen een school of centrum voor deeltijds onderwijs spreken we
van volwaardige alternering. Een volwaardige alternering zorgt
ervoor dat jongeren een beter beeld krijgen van de jobinhoud en
de realiteit van het beroep wat leidt tot een groter welbevinden
tijdens de opleiding waardoor er minder ongekwalificeerde
drop-out is. Toch stelt men vast dat twee dagen schoolse vorming
en drie dagen werken niet altijd volstaan om alle, binnen één
opleiding vaak heel diverse competenties te verwerven. Daardoor
is een realistische aansluiting van de opleiding bij de
verwachtingen van de arbeidsmarkt en in het bijzonder van de
sector waarvoor de jongere zijn kwalificatie wenst te behalen,
niet volledig te realiseren. Het CEDO wou tegemoet komen aan
deze vraag en meteen ook een structureel probleem oplossen,
namelijk het is binnen een schoolse omgeving niet altijd
mogelijk om realistische werkplaatssituaties na te bootsen en/of
alle machines aan te kopen waarmee jongeren binnen het kader van
hun opleiding moeten kunnen werken. Dit gegeven is echter niet
nieuw en menig centrum voor deeltijds onderwijs of
BSO/TSO-school hebben met wisselend succes, aansluiting gezocht
bij de arbeidsmarkt om een deel van de opleiding op het bedrijf
te laten doorgaan. Ook het CEDO ging op zoek naar
samenwerkingsverbanden met bedrijven/sectoren binnen de
opleidingen winkelbediende, logistieke hulp in de
verzorgingssector en productieoperator in de voedingsindustrie.
Men zocht bedrijven die bereid waren om gedurende meerdere
weken, soms zelfs maanden, een volledige klas met leerkracht,
één dag in de week op hun praktijkdag, binnen hun muren toe te
laten om die jongeren de kans te geven hun opleiding
realiteitsgericht af te werken.
Tijdens een
interactieve babbel tussen een panel bestaande uit leerlingen,
leerkrachten, trajectbegeleiders, vertegenwoordigers van
bedrijven en IPV en het publiek, werd duidelijk dat de aanpak
van het CEDO een voorbeeld mag zijn voor het beroepsonderwijs in
Vlaanderen. In het publiek waren er naast vele centra voor
deeltijds onderwijs uit gans Vlaanderen ook vertegenwoordigers
van CLB, van centra deeltijdse vorming, van pedagogische
begeleidingsdiensten, van verschillende departementen waaronder
onderwijs en werk en economie, van de dienst beroepsopleiding,
van RTC en IPV, maar ook van verschillende geïnteresseerde
bedrijven.
Vertrekkend
vanuit een visie over volwaardige alternering ontwikkeld binnen
het Janusproject, ging het CEDO op zoek naar bedrijven die
complementair waren op het gebied van aanbod van te verwerven
competenties. Kernbegrippen hierbij waren:
-
‘een
pedagogisch partnerschap’ tussen alle actoren met een
gedeelde verantwoordelijkheid naar de opleiding van de
jongere,
-
‘een
krachtige alternerende leeromgeving’, competentie- en
kwaliteitgericht, met veel mogelijkheden en een grote
diversiteit aan competenties
-
‘de
centrale plaats van de jongere’, een grotere betrokkenheid
bij zijn opleiding en evaluatie.
Binnen dit
kader engageerde: ‘MAKRO – Eke’ zich voor de opleiding
winkelbediende en ging het ‘AZ Maria Middelares – Gent’ een
pedagogisch partnerschap aan voor de opleiding logistiek helper
in de verzorgende sector.
Voor de
opleidingen ‘productiemedewerker in de voedingsindustrie’ en
‘productieoperator in de voedingsindustrie’ kreeg het CEDO de
onvoorwaardelijke steun van het
opleidingscentrum
van de sector van de voedingsindustrie,
het IPV (Initiatieven
voor Professionele Vorming van de Voedingsnijverheid). In
een eerste fase werd er samen met het IPV en de verschillende
onderwijskoepels een competentiegericht opleidingsprofiel
opgesteld. Vervolgens ging het CEDO, ondersteund door het IPV,
op zoek naar complementaire bedrijven uit de verschillende
subsectoren van de voedingsindustrie om alle competenties te
kunnen aanbieden nodig voor het behalen van de kwalificatie. Op
dit ogenblik wordt er samengewerkt met ‘Coca-Cola – Gent’,
‘Firma De Bruycker – Eke’ (vers-vlees-specialist), ‘Bouchard
L’escaut’ (chocolade), ‘Ganda Ham’, ‘Le Larry’
(geitenkaasmakerij van Ganda Ham) en ‘Fiers (vleesgroothandel
met een uitsnijderij voor wild en gevogelte). Elk van de
geselecteerde bedrijven zou zijn steentje bijdragen in het
totaalplaatje van het competentieprofiel. Op die manier kwam men
tot een rotatiesysteem van drie bedrijven per schooljaar per
opleiding. Het volgende jaar van de tweejaarlijkse opleiding
werden dat drie andere bedrijven.
Een
schooljaar van 36 effectieve weken ziet er dan ongeveer zo uit:
-
Week 1
tot 6: theorie + veiligheid en hygiëne
-
Week 7
tot 14: praktijk op bedrijf 1
-
Week 15
tot 16: theorie
-
Week 17
tot 24: praktijk op bedrijf 2
-
Week 25
tot 26: theorie
-
Week 27
tot 34: praktijk op bedrijf 3
-
Week 35
tot 36: theorie en eindproeven
Zo verwerven
leerlingen op twee schooljaren alle nodige competenties binnen
een bepaalde kwalificatie.
Naast de twee
dagen opleiding (één dag algemene vorming en één dag praktijk
waarvan een deel op het bedrijf) is een invulling van de andere
dagen in het kader van het voltijds engagement van primordiaal
belang. Voor het behalen van een kwalificatie is een
alternerende tewerkstelling wenselijk.
Halfjaarlijks
overleg tussen alle betrokken partners (leerkrachten, traject-
en tewerkstellingsbegeleiders, bedrijven,
sectorverantwoordelijken, …) zorgen voor een vlotte communicatie
en regelmatige bijsturing van onder andere het pedagogische
partnerschap.
Op dit
ogenblik zijn er in totaal 35 jongeren en 4 leerkrachten
rechtstreeks betrokken bij het realiteitsgericht opleiden op de
werkvloer tijdens de lessen beroepsgerichte vorming.
‘Les op het
bedrijf’ tijdens de uren beroepsgerichte vorming is een win-
winsituatie voor alle betrokken actoren (centrum/school,
jongeren, bedrijf):
-
Voor de
jongeren is het een realistische beroepsopleiding.
-
De
bedrijfsomgeving wordt voor de jongeren een vertrouwde
omgeving.
-
De
jongeren krijgen een beter en vlotter zicht op hun
mogelijkheden en tewerkstellingskansen, dit werkt
drempelverlagend.
-
De
leerkracht wordt geconfronteerd met de realiteit van het
bedrijfsleven en krijgt terug voeling met actuele apparatuur
en productieprocessen.
-
De
leerkracht is nauwer betrokken bij de evolutie van de
jongere in het kader van zijn opleiding op de werkvloer,
door het wekelijks evalueren van de competenties kan hij
sneller bijsturen en inspelen op tekortkomingen.
-
Bedrijven
hebben de mogelijkheid om jongeren, die ze als het ware zelf
hebben opgeleid, als eersten te selecteren en/of aan te
werven voor een mogelijke job.
-
Bedrijven
kunnen door hun nauwe betrokkenheid bij het volledige
opleidingsproces, mee de inhoud van de opleiding bepalen.
In zijn
slotwoord benadrukte de heer Rudy Coddens, Schepen van onderwijs
van de stad Gent, het belang van een dergelijk initiatief in het
kader van het ‘Voorontwerp van decreet over afwisselend leren en
werken’, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 29 februari jl.
Jongeren zicht geven op het behalen van een arbeidsmarktgerichte
kwalificatie en zodoende de ongekwalificeerde uitstroom
verminderen is hierbij een belangrijk aandachtspunt.
Tevens wil
hij, binnen de stad Gent, alle kansen bieden aan het deeltijds
onderwijs dat met het toekomstige nieuwe decreet op leren &
werken een volwaardige onderwijsvorm wordt naast bestaande zoals
ASO, TSO en BSO. Een volwaardig autonoom centrum voor leren &
werken met een sterke omkadering, vooral op het gebied van
trajectbegeleiding, is één van de prioriteiten waarop het
onderwijs van de stad Gent zich in de toekomst wil focussen.
Tot slot
bedankte de heer Schepen alle bedrijven die in het kader van
‘Les op het bedrijf’ belangeloos en dit gedurende meerdere weken
hun deuren hebben opengesteld voor de jongeren van het CEDO en
hun leerkrachten. Bedrijven die naast het zich welkom voelen van
de jongeren van het CEDO ook hebben geïnvesteerd in en samen met
de leerkracht gezorgd voor, een realiteitsgerichte opleiding.
‘Les op het
bedrijf’ of het ‘realiteitsgericht opleiden op de werkvloer
tijdens de lessen beroepsgerichte vorming’ is enkel mogelijk
dankzij een zeer nauwe samenwerking tussen de bedrijfswereld, de
sectoren en het onderwijs. Samen realiseren ze een krachtige
alternerende leeromgeving. De werkplek wordt zo een leerplek.
[©m&b2008]
|