GENT - 15.10.2005 - Eddy Van de
Walle leidde de rondgang op de Westerbegraafplaats goed voorbereid.
Verrassende verhalen en een duidelijke uileg boeiden de talrijke aanwezigen.
Door het decreet van keizer Jozef II in 1784 dienden nieuwe begraafplaatsen
voortaan buiten het stadscentrum aangelegd worden. In de 19de eeuw konden de
drie Gentse begraafplaatsen, tengevolge van epidemieën, de overstelpende
lijkaanvoer niet langer aan: de noodzaak van een nieuwe, grotere
begraafplaats werd steeds groter. De seculariseringspolitiek moest er echter
voor zorgen dat de controle en het beheer over de nieuwe begraafplaats
volledig zou onttrokken worden aan de Kerk, zodat ook protestanten, joden en
vrijzinnigen er een laatste rustplaats konden vinden.
Op 26 juli 1866 werd besloten een nieuwe
begraafplaats aan te leggen: de aanleg ervan werd toevertrouwd aan de
stadsarchitect Adolphe Pauli. Hij stelde drie ontwerpen voor: het
uitgangspunt bestond echter steeds uit een ommuurde, rechthoekige
begraafplaats waarop 13.300 graven konden worden ingeplant. Er werd gekozen
voor de goedkoopste oplossing, bestaande uit een eenvoudige afsluitende
baksteenmuur en een meer uitgewerkt poortgebouw : de frontons werden
gerealiseerd door A. Van Eenaeme en B. Wante. Binnen deze muren werden
aanplantingen aangelegd om het geheel het uitzicht te geven van een 'jardin
des morts' . De nieuwe begraafplaats werd vanaf 1 januari 1873 in
gebruik genomen. De Westerbegraafplaats werd in de volksmond lange
tijd het geuzenkerkhof genoemd: een benaming die te situeren is in de
destijds gevoerde anti-klerikale politiek.