Op
woensdag 1 september 2010 startte het Centrum Leren en
Werken Gent een gloednieuwe en unieke opleiding
‘hulpmonteur stellingbouw’. Er is plaats voor acht à
twaalf cursisten tussen 18 en 25, die op één jaar tijd
worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Dat gebeurt
door een combinatie van leren op school en werken in een
stellingbouwbedrijf. De stellingbouwsector steunt het
initiatief ten volle door arbeidsplaatsen ter
beschikking te stellen aan de cursisten, en het nodige
opleidingsmateriaal ter beschikking te stellen aan de
school. ‘Hulpmonteur stellingbouw’ is een
knelpuntberoep. Wie het alternerende opleidingstraject
met vrucht doorloopt, heeft niet alleen recht op een
fikse sectorale premie, maar heeft quasi zeker uitzicht
op een uitdagende job in de stellingbouwsector.
Opleiding hulpmonteur stellingbouw
Met deze
opleiding wil de Stad Gent, als inrichtende macht van
het Centrum Leren en Werken (CLW), inspelen op een
specifieke nood aan goed opgeleide arbeidskrachten in de
stellingbouwsector. De stellingbouwsector is een kleine
sector, die zich recent verenigde in de ‘Vereniging
Stellingbouw Bedrijven België’ (VSBB), en die
Oost-Vlaamse bedrijven als VIP, Altrad en Kaeffer onder
haar leden telt. Die bedrijven waren van bij de start
bij het opzet van deze opleiding betrokken. De bedrijven
engageren zich niet alleen om het nodige
opleidingsmateriaal ter beschikking te stellen aan de
school, maar ook om tijdens de opleiding voldoende
(deeltijdse) arbeidsplaatsen te voorzien voor de
cursisten.
‘Alternerend’
opleidingssysteem
De
opleiding zelf, bedoeld voor jongeren tussen 18 en 25
jaar, wordt vormgegeven volgens een ‘alternerend’
systeem van leren en werken. Dat is een combinatie
waarbij de cursist deeltijds het vak leert op school
(vier opleidingsdagen om de twee weken), en de rest van
de opleidingstijd doorbrengt op het werkveld zelf. In
casu dus in een stellingbouwbedrijf, waar de cursist de
op school verworven vaardigheden in de praktijk brengt,
en tegelijk kan ‘meegroeien’ met het bedrijf.
Omdat de
cursist (na een intensieve training van zes weken aan
het Centrum Leren en Werken) al tijdens de opleiding aan
een bedrijf wordt verbonden, worden zijn kansen op een
onmiddellijke jobinvulling na de opleiding, dankzij het
‘knelpuntkarakter’ van het beroep, aanzienlijk verhoogd.
Op de
arbeidsvloer
Binnen
het stellingbouwbedrijf staan de cursisten mee in voor
het vakkundig monteren, demonteren en omvormen van alle
types stellingen (rolsteigers, kaderstellingen en
systeemstellingen). Ze monteren staalconstructies die
eerder in de werkplaats werden klaargemaakt.
Stellingbouwbedrijven staan overigens niet alleen in
voor het assembleren en plaatsen van stellingen
(voornamelijk in chemische bedrijven en bouwbedrijven),
ook de assemblage van andere tijdelijke constructies
zoals voetgangersbruggen behoren tot hun actieveld. Voor
dat alles worden de cursisten klaargestoomd aan het CLW,
dat ondermeer instaat voor een attest ‘werken op
hoogte’. Dankzij het ‘alternerende’ systeem van leren en
werken krijgen ze de kans om parallel hun vaardigheden
verder in te oefenen en aan te scherpen op de
arbeidsvloer zelf.
Ondersteuning opleidingsproject
Het
opleidingproject wordt ondersteund door het Fonds
voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid (FVB), dat
ondermeer mee instaat voor de promotie van de opleiding,
en dat de “alternerende beroepsopleiding-contracten” (ABO)
verzorgt waarmee de cursisten aan de slag kunnen in de
bedrijven.
Volgens
dat contract dient de jongere gedurende één kalenderjaar
‘alternerend’ te leren a rato van 40 % leertijd op
school en 60 % werktijd op de arbeidsvloer, heeft hij
recht op een maandelijkse leervergoeding tussen 400 euro
en 700 euro (afhankelijk van leeftijd en aantal maanden
dienst), en heeft de cursist recht op een sectorpremie
van 3.000 euro als de opleiding met vrucht wordt
doorlopen.
Uniek
opleidingsmodel
Dit
opleidingmodel is vrij uniek. In Oost-Vlaanderen zijn er
naast de opleidingcapaciteit van de VDAB in Hamme geen
gelijkaardige opleidingen. Bovendien staat de sector als
één man achter dit project. Dat bepaalt meteen de
mogelijkheid om binnen het onderwijs tegemoet te komen
aan een opleidingsnood, die in de sector reeds lang
wordt aangevoeld. Het opleidingsmateriaal is immers
duur, zeker als je het beperkte aantal gegadigde
cursisten in rekening neemt (hoge maatschappelijke kost
in termen van aantal opgeleiden en inzet van middelen).
Doordat de sector dit materiaal echter ter beschikking
stelt, in ruil voor een jaarlijks aantal inzetbare
cursisten, werd dit struikelblok alvast weggenomen. Ook
de VDAB volgt dit project met de nodige aandacht en
bekijkt hoe zij, in aanvulling op haar capaciteit in
Hamme, jongeren naar dit traject kan aansturen.
Deelname
aan dit efficiënte opleidingaanbod vereist van de
cursisten inzet en discipline. Maar aan het einde van de
tunnel is er het licht van quasi zekerheid op werk.