Opleiding stellingbouw met uitzicht op werk uit de steigers
 

       

[12.10.2010]


Op woensdag 1 september 2010 startte het Centrum Leren en Werken Gent een gloednieuwe en unieke opleiding ‘hulpmonteur stellingbouw’. Er is plaats voor acht à twaalf cursisten tussen 18 en 25, die op één jaar tijd worden klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Dat gebeurt door een combinatie van leren op school en werken in een stellingbouwbedrijf. De stellingbouwsector steunt het initiatief ten volle door arbeidsplaatsen ter beschikking te stellen aan de cursisten, en het nodige opleidingsmateriaal ter beschikking te stellen aan de school. ‘Hulpmonteur stellingbouw’ is een knelpuntberoep. Wie het alternerende opleidingstraject met vrucht doorloopt, heeft niet alleen recht op een fikse sectorale premie, maar heeft quasi zeker uitzicht op een uitdagende job in de stellingbouwsector.

Opleiding hulpmonteur stellingbouw

Met deze opleiding wil de Stad Gent, als inrichtende macht van het Centrum Leren en Werken (CLW), inspelen op een specifieke nood aan goed opgeleide arbeidskrachten in de stellingbouwsector. De stellingbouwsector is een kleine sector, die zich recent verenigde in de ‘Vereniging Stellingbouw Bedrijven België’ (VSBB), en die Oost-Vlaamse bedrijven als VIP, Altrad en Kaeffer onder haar leden telt. Die bedrijven waren van bij de start bij het opzet van deze opleiding betrokken. De bedrijven engageren zich niet alleen om het nodige opleidingsmateriaal ter beschikking te stellen aan de school, maar ook om tijdens de opleiding voldoende (deeltijdse) arbeidsplaatsen te voorzien voor de cursisten.

 ‘Alternerend’ opleidingssysteem

De opleiding zelf, bedoeld voor jongeren tussen 18 en 25 jaar, wordt vormgegeven volgens een ‘alternerend’ systeem van leren en werken. Dat is een combinatie waarbij de cursist deeltijds het vak leert op school (vier opleidingsdagen om de twee weken), en de rest van de opleidingstijd doorbrengt op het werkveld zelf. In casu dus in een stellingbouwbedrijf, waar de cursist de op school verworven vaardigheden in de praktijk brengt, en tegelijk kan ‘meegroeien’ met het bedrijf.

Omdat de cursist (na een intensieve training van zes weken aan het Centrum Leren en Werken) al tijdens de opleiding aan een bedrijf wordt verbonden, worden zijn kansen op een onmiddellijke jobinvulling na de opleiding, dankzij het ‘knelpuntkarakter’ van het beroep, aanzienlijk verhoogd.

Op de arbeidsvloer

Binnen het stellingbouwbedrijf staan de cursisten mee in voor het vakkundig monteren, demonteren en omvormen van alle types stellingen (rolsteigers, kaderstellingen en systeemstellingen). Ze monteren staalconstructies die eerder in de werkplaats werden klaargemaakt. Stellingbouwbedrijven staan overigens niet alleen in voor het assembleren en plaatsen van stellingen (voornamelijk in chemische bedrijven en bouwbedrijven), ook de assemblage van andere tijdelijke constructies zoals voetgangersbruggen behoren tot hun actieveld. Voor dat alles worden de cursisten klaargestoomd aan het CLW, dat ondermeer instaat voor een attest ‘werken op hoogte’. Dankzij het ‘alternerende’ systeem van leren en werken krijgen ze de kans om parallel hun vaardigheden verder in te oefenen en aan te scherpen op de arbeidsvloer zelf.

Ondersteuning opleidingsproject

Het opleidingproject wordt ondersteund door het Fonds voor Vakopleiding in de Bouwnijverheid (FVB), dat ondermeer mee instaat voor de promotie van de opleiding, en dat de “alternerende beroepsopleiding-contracten” (ABO) verzorgt waarmee de cursisten aan de slag kunnen in de bedrijven.

Volgens dat contract dient de jongere gedurende één kalenderjaar ‘alternerend’ te leren a rato van 40 % leertijd op school en 60 % werktijd op de arbeidsvloer, heeft hij recht op een maandelijkse leervergoeding tussen 400 euro en 700 euro (afhankelijk van leeftijd en aantal maanden dienst), en heeft de cursist recht op een sectorpremie van 3.000 euro als de opleiding met vrucht wordt doorlopen.

Uniek opleidingsmodel

Dit opleidingmodel is vrij uniek. In Oost-Vlaanderen zijn er naast de opleidingcapaciteit van de VDAB in Hamme geen gelijkaardige opleidingen. Bovendien staat de sector als één man achter dit project. Dat bepaalt meteen de mogelijkheid om binnen het onderwijs tegemoet te komen aan een opleidingsnood, die in de sector reeds lang wordt aangevoeld. Het opleidingsmateriaal is immers duur, zeker als je het beperkte aantal gegadigde cursisten in rekening neemt (hoge maatschappelijke kost in termen van aantal opgeleiden en inzet van middelen). Doordat de sector dit materiaal echter ter beschikking stelt, in ruil voor een jaarlijks aantal inzetbare cursisten, werd dit struikelblok alvast weggenomen. Ook de VDAB volgt dit project met de nodige aandacht en bekijkt hoe zij, in aanvulling op haar capaciteit in Hamme, jongeren naar dit traject kan aansturen.

Deelname aan dit efficiënte opleidingaanbod vereist van de cursisten inzet en discipline. Maar aan het einde van de tunnel is er het licht van quasi zekerheid op werk.


[©m&b2010]